Categorie: Strips

Tijgers, teams en Theodora

29 dec 17
Simon Slijkhuis
No Comments

Maxentius is een bijzondere strip: het decor is nu eens niet het keizerlijke Rome, maar het Constantinopel van de christelijke keizer Justinianus en zijn ambitieuze echtgenote keizerin Theodora. De eigenlijke hoofdpersoon van de strip is Maxentius, een wilde dierentemmer. Hij heeft een bijzondere relatie met Theodora, omdat hij getrouwd is met haar zus, maar het is duidelijk dat er tussen de twee meer aan de hand is. Als Maxentius de keizerin bezoekt, treft hij haar aan terwijl ze verleidelijk in bad ligt, quasi-nonchalant verzuchtend: ‘Zeg ’ns, Maxentius, je komt me veel minder vaak opzoeken dan vroeger’.

We ontmoeten keizer Justinianus, die zijn volk door middel van brood en spelen tevreden houdt. Hij organiseert veel wagenraces in de Hippodroom, waarbij de teams van de Groenen en de Blauwen het tegen elkaar opnemen. Na een verdacht ongeluk slaat het vuur in de pan: de Groenen en de Blauwen keren zich eerst tegen elkaar, maar kort daarna tegen de keizer! Dit oproer vond daadwerkelijk plaats in het jaar 532 n.C. en staat bekend als de zogenaamde Nika-opstand.

Dierentemmer Maxentius ontpopt zich als een Romeinse Sherlock Holmes. Met hulp van zijn tijger Hapax overwint hij gevaren en komt een complot tegen Justinianus op het spoor. De keizer zelf komt intussen niet verder dan het volk tot bedaren proberen te brengen door weer nieuwe races te organiseren en te zwaaien met de Bijbel: ‘Ik zweer bij het heilig boek dat ik jullie alle beledigingen vergeef. Ik zal niemand van jullie laten arresteren. Als jullie tenminste rustig blijven’. Het mag niet baten: de keizer moet vluchten in zijn paleis.

Wie uiteindelijk orde op zaken stelt – hoe kan het anders – is de onstuitbare keizerin Theodora. Zij weigert te capituleren of te vluchten: ‘Voor mij geen mooiere lijkwade dan het keizerlijke purper! Ik ben niet zo hoog geklommen om nu te vluchten voor een oproer!’. En: ‘Wie de kroon heeft gedragen, mag nooit zijn rijk en zijn waardigheid verliezen!’. Zo is het zijn echtgenote die voor Justinianus de keizerkroon weet te redden.

De keuze van schrijver Sardou voor dit latere tijdvak en deze historische personages blijkt een bijzonder gelukkige. Met de ambitieuze en zelfbewuste Theodora (die hier en daar Murena’s Agrippina echoot) heeft hij een ijzersterk personage in handen waarvan de mogelijkheden nog lang niet zijn uitgeput. Met haar reputatie van hoer (ze was in elk geval actrice geweest en deze beroepen gingen in die tijd vaak samen) is Sardou duidelijk bekend. De menigte die de stad in brand steekt schreeuwt: ‘Zodra we binnen zijn, nemen we die hoer te grazen! En daarna spietsen we haar op het forum!’. Hoer of geen hoer, in de oosters orthodoxe kerk prijkt Theodora gewoon op de heiligenkalender…

Inmiddels zijn van Maxentius ook de Delen 2 en 3 verschenen. We want more!

Epische strijd om de mensheid

27 dec 17
Simon Slijkhuis
No Comments

De strip Troje, waarvan tot nu toe drie delen in vertaling verschenen (een vierde deel is in voorbereiding), maakt onmiddellijk indruk door de prachtige vormgeving, maar ook door het ambitieuze en verstrekkende scenario. Wie een brave navertelling verwacht van de bekende oud-Griekse mythe, is bij scenarioschrijver Nicolas Jarry beslist aan het verkeerde adres.

Het toch al imponerende verhaal over een epische strijd tussen Grieken en Trojanen wordt bij Jarry ingebed in een spannende eschatologische vertelling, waarin de oude god Kronos wraak zoekt te nemen op de volledige mensheid: zij hebben zich achter Zeus geschaard en dienen daarvoor de rekening te betalen. De wraak wordt voltrokken door een duister leger dat complete koninkrijken van de aardbodem wegvaagt. Een zwarte aslaag is alles wat rest. Heel de mensheid dreigt door het vernietigende vuur van Kronos verslonden te worden. Zo komen we behalve Grieken en Trojanen ook andere volken tegen, zoals Hetieten en Egyptenaren.

Deze kosmische resurrectie van Kronos en zijn duistere, apocalyptische macht komen we ook tegen in andere moderne verbeeldingen, ik denk hier met name aan (de verfilmde) Percy Jackson and The Sea of Monsters. Het zijn de krachten van de Chaos die telkens opnieuw bedwongen moeten worden door de krachten die staan voor orde en recht. Het voortbestaan van de mensheid is een kwetsbare en hachelijke zaak, die voortdurend vraagt om de moed van helden.

De held van Troje is natuurlijke Achilles. Aan het begin van het verhaal is hij samen met de mooie Helena, een verhaalelement dat de kenner van de Griekse mythologie natuurlijk nogal in verwarring brengt. Maar hun relatie loopt ten einde als Helena een huwelijksaanzoek krijgt van Menelaos en deze niet direct van de hand wijst. Dit leidt tot een van de indrukwekkendste scènes uit de eerste episode. ‘Als jij van me zou houden zoals ik van jou, dan had je nooit toegegeven!’, snauwt Achilles. Maar Helena zet Achilles stevig op zijn plaats, en het mannelijk geslacht met hem: ‘Je doet alsof je deze oorlog voorbereidt uit liefde voor mij, maar het is pure trots! Zo zijn de mannen: ze denken alleen aan veroveren, of het nu om land of om vrouwen gaat!’.

Herkenbaar uit de Ilias is de vijandschap tussen Achilles en Agememnon, maar gaandeweg wordt het Achilles duidelijk gemaakt dat hij zijn persoonlijke wraakgevoelens voorlopig aan de kant moet zetten: het voortbestaan van de mensheid staat nu op het spel. Degenen die hem tot dit inzicht brengen zijn zijn leermeester Cheiron, de oeroude centaur, en de godin van de nacht Hekate, die eveneens een hoofdrol speelt in het verhaal en die samenwerkt met de Pythia, de priesteres van Apollo. Haar krachtige en mysterieuze tegenspeelster is een der Erinyen of Wraakgodinnen, ‘een dochter van woede en wraak’. Beide bovennatuurlijke personages zijn zeer overtuigend neergezet.

Troje is een razendknappe strip met kosmische dimensies. Zeker lezen!

In het voetspoor van Homerus

17 dec 17
Simon Slijkhuis
No Comments

De strip Orakel treedt in het voetspoor van Homerus. Waar de oude dichter een deel van het verhaal in de mond legt van Odysseus, zo wordt hier een deel van het verhaal verteld door een oude en blinde ziener. Ofwel: we hebben te maken met een ingebedde verhaalstructuur, zoals we die ook kennen uit de televisieserie The Storyteller. In deel 1 van Orakel, ‘De Pythia’, wordt het verhaal verteld aan een weesjongen in Delphi. Omdat deze jongen verder eigenlijk geen rol speelt in het verhaal, kan ik hier wel onthullen dat zijn naam Homerus is. Hiermee creëert schrijver Peru de ironische situatie dat zijn personage de leermeester is van de grootste dichter uit de wereldgeschiedenis. Zo weten we meteen wanneer het verhaal zich afspeelt: rond 800 v.C.

Maar het spel met Homerus gaat enkele stapjes verder. Zoals de lezer van Homerus weet dat het personage Odysseus, die immers bekend staat als de ‘listenrijke’, niet blindelings te vertrouwen is, zo speelt de auteur van ‘De Pythia’ eveneens een spel met waarheid en leugen. De oude verhalenverteller verklaart op de eerste pagina’s dat hij gek zou worden zonder zijn verhalen, dus het vertellen en luisteren naar verhApalen voorziet vooral in een menselijke behoefte. Maar daarmee is het vertelde niet noodzakelijk waar. ‘Verhalen zijn ontspannend, amusant, rechtvaardig, triest, heldhaftig en soms onbelangrijk. Het hangt er maar vanaf wie er naar luistert’. Omdat we de waarheid toch nooit zullen weten, dient het verhaal uiteindelijk vooral als een bron van inspiratie, iedere luisteraar zal in het verhaal zijn eigen waarheid moeten vinden.

Zo is het in elk geval ook gesteld in het ingebedde verhaal, waar de Pythia van Delphi de hoofdrol speelt. De Pythia is de vrouwelijke spreekbuis van Apollo, die bezoekers van de tempel in orakeltaal de toekomst voorspelt (het hoofdpersonage in het raamverhaal en die in het ingebedde verhaal hebben dus dezelfde profetische gave). Maar de waarheid van deze woorden is ook hier in nevelen gehuld. Eenieder die het orakel raadpleegt, zal zelf de boodschap moeten ‘lezen’.

We ontmoeten de Pythia Aspasie, die wijd en zijd beroemd is door haar voorspellingen en door haar adembenemende schoonheid. Dit laatste leidt tot een nogal ongeloofwaardig, maar bepalend verhaalelement, namelijk dat de god Apollo zich vergrijpt aan zijn eigen Pythia: hij verkracht haar zonder scrupules in zijn eigen heiligdom.‘Dat orakel doet er niet toe, de priesters zullen andere idioten opleiden die je plaats kunnen innemen’ (sic!).

De lezer met kennis van de Griekse mythologie (en de receptie ervan) zal deze karaktertekening van Apollo behoorlijk bevreemdend vinden. We ontmoeten een macho-Apollo die slechts uit is op macht en het najagen van zijn lusten. Mede dankzij Friedrich Nietzsche denken we bij Apollo toch eerder aan eigenschappen als doordacht, kalm en beheerst, en juist niet aan de geile, bokachtige acties van Dionysos.

De hele rest van het verhaal zal in het teken staan van Aspasie’s pogingen om wraak te nemen op Apollo en de Olympos. Het blijkt vooral een verhaal van hybris te zijn: iedere poging de Olympus te bestormen is gedoemd te mislukken, zoals ook de Spartaanse legers zullen ervaren. Evenals bij Homerus treden de Olympische goden sprekend en handelend op. Zo ontmoeten we ook Athene en oppergod Zeus. Bij het weergeven van de strijd op de trappen van de Olmypos, waaraan ook mythologische monsters deelnemen, heeft tekenaar Martino zich behoorlijk uitgeleefd. De wezens zelf doen er niet toe, maar het is gewoon fijn – moet hij gedacht hebben – de slangenkop van Medusa van de pagina te zien spatten. En daarin heeft hij natuurlijk groot gelijk.

 

Voor hen die gaan sterven

10 dec 17
Simon Slijkhuis
No Comments

De stripreeks Murena – van de hand van twee Belgen: Jean Dufeaux verzorgt de tekst, Philippe Delaby (gest. 2014) de tekeningen – brengt de Romeinse oudheid op een waanzinnige manier tot leven. We zitten in het Rome van keizer Nero: de machtswellust, de wreedheid, de losbandigheid, het wordt allemaal even schitterend in beeld gebracht in tekeningen waar het vakmanschap van afdruipt. De figuren zelf zijn adembenemend neergezet: Nero, Agrippina, Seneca, Poppaea, ze overtuigen werkelijk allemaal, in een stripreeks die zijn weerga niet kent.

Het vierde deel van de reeks, ‘Voor hen die gaan sterven’, kent meteen een overgetelijke, poëtische opening: ‘De godheid kijkt uit over Rome, de stad gebouwd op zeven heuvels. De heerszuchtige stad van purper en goud, met haar adelaars hoog in de lucht, is heer en meester over de wereld. De god, gebeiteld uit steen, blijft koud onder deze macht. Het aanzien van Rome, dat is het geluid van marcherende soldaten op de stoffige grond, maar het is ook het doodsgereutel van de gefolterden aan het kruis. Er zullen nooit genoeg soldaten zijn, er zullen nooit genoeg gefolterden zijn. Rome is een afgrond waarin al het aardse verdwijnt.’

Even later zien we een vorstelijke Agrippina die haar lichamelijke schoonheid en verleidingskunst gebruikt in een ultieme poging om controle over haar zoon Nero te houden. ‘Haar lichaam?’, horen we de intelligente Nero tegen zijn minnares Acte zeggen, ‘Haar lichaam is niet meer dan een idee. En ze stelt al haar ideeën in dienst van haar ambitie’. ‘En wat is die ambitie?’ ‘Regeren in mijn plaats’.

Eén van de absoluut magische eigenschappen van deze strip is de manier waarop met stilte wordt gewerkt. Als lezer vangen we de lege, ontzielde blik van een gekruisigde, en meteen daarna die van hoofdpersonage Murena die naar de gekruisigde opkijkt. We zien, even later, de slaaf Draxius naakt in de stromende regen staan, wachtend op zijn gladiatorengevecht. Of we kijken met Nero over de zee naar de horizon, als de moord op zijn moeder te gebeuren staat. In al deze gevallen heerst het geluid van de stilte en krijgt de strip een sterk filmisch karakter.

Het hoofdpersonage van de strip is Lucius Murena, één der intimi van Nero. Hij is door Nero van het hof weggestuurd, maar wordt later in genade aangenomen. In de strip is het Agrippina die Poppaea op Nero afstuurt (‘je bent het perfecte werktuig voor mijn wraak’). Ook de rol van Poppaea, die volgens Tacitus alle menselijke eigenschappen bezat behalve goedheid, wordt ijzersterk neergezet. Met zoveel femmes fatales om zich heen kan het met deze jonge heerser niet goed aflopen. Maar omgekeerd met deze vrouwen natuurlijk ook niet….

 

Van Naxos naar Kwaxos

25 mrt 16
Simon Slijkhuis
No Comments

Ook Donald Duck staat onder invloed van de klassieke oudheid. In de recent verschenen ‘Oude Grieken special’ staan drie verhalen, die sterk geïnspireerd zijn door de Griekse mythologie en cultuur.

donaldIn ‘Het geheime Griekse eiland’ komen Donald en Katrien voor een vakantie aan op het eiland Kwaksos (een variatie op Naxos). Op de vlucht voor problemen die ze daar over zich afroepen, spoelen ze aan op Enigmos (enigma = ‘raadsel’), een eiland dat eeuwenlang verborgen is gehouden voor het oog van de wereld, zodat de oude Griekse cultuur in oorspronkelijke vorm is gehandhaafd. De nietsontziende koning besluit Donald en Katrien te voeren aan de Minotauros, terwijl zijn volk toekijkt in een volle arena. Maar de grimmigheid van de Minotauros verdwijnt als sneeuw voor de zon wanneer deze in de rugzak van Donald een ghettoblaster vindt: het dier gaat spontaan dansen op moderne disco-muziek. Om zijn vege huid te redden belooft Donald het volk nog meer spullen uit de moderne tijd. De traditionele koning van Enigmos moet het afleggen tegen deze beloftes van vooruitgang. De eilandbewoners omarmen de moderne wereld, met een dominante plaats voor discotheken en souvenirshops!

In ‘Dagobert Duck en het standbeeld van Olympios’ is een belangrijke rol weggelegd voor het beeld ‘De discuswerper’. Volgens Dagobert verdween het ooit tijdens een geheimzinnige
schipbreuk in zee. Dit is een verwijzing naar de beroemde ‘Diskobolos’ van de Griekse beeldhouwer Myron uit 450 v.C. Van dit beeld, dat inderdaad verloren is gegaan, zijn wel diverse Romeinse marmeren kopieën bewaard gebleven. Dagobert wil op zoek naar het beeld vanwege de grote geldwaarde en zet koers naar het eiland Olympios (gezien het feit dat discuswerpen een olympische sport is een toepasselijke naam). Zijn schip belandt in een mistbank die een tijdmachine blijkt. Dagobert, Donald en zijn neefjes worden aan boord genomen van een Grieks galeischip. Aan boord bevindt zich koningin Calypso van Olympios. Calypso kennen we als de mooie nimf uit de Odyssee. Odyseus spoelt aan op haar eiland Ogygia, waar hij tien jaar vastzit. De strip ‘speelt’ met de typische Homerische scène van gastvrijheid:

donald duck calypsodonald2

Ook in de strip wordt Calypso verliefd op de held van het verhaal (Donald). De benaming Olympios blijkt vervolgens nog toepasselijker wanneer Donald moet deelnemen aan allerlei sportieve wedstrijden, met als inzet het beeld van de discuswerper en een geldbedrag. In de wedstrijden neemt Donald het op tegen de gemene Hippias van Ios. De naam Hippias kan ontleend zijn aan de beroemde Hippias van Athene (gest. 490 v.C.), zoon en opvolger van de tiran Peisistratos of, minder waarschijnlijk, aan de sofist Hippias van Elis (Plato noemde twee dialogen naar hem: de kleine en de grote Hippias). Uiteindelijk gaat Donald er met de winst vandoor, maar het door Dagobert begeerde beeld van de discuswerper doorstaat de terugreis in de tijdmachine niet.

In het laatste verhaal, ‘Odyssee nummer twee’, gaat Dagobert op jacht naar de schat van Odysseus, ofwel de buit van Troje. De scepsis van Donald Duck en zijn neefjes tegenover het bestaan van een dergelijke schat, weerspiegelt – op ironische wijze – de houding tegenover avonturiers als Heinrich Schliemann die met de Odyssee in de hand naar restanten van de Trojaanse Oorlog op zoek gingen (dit werd de basis van de archeologie als wetenschap).

donald schat

Volgens een brief die Dagobert ontvangt zou de schat bewaard worden op het eiland van Circe in een grot. Kwik, Kwek en Kwak waarschuwen dat Circe de mannen van Odysseus in varkens veranderde, maar dat verandert de plannen niet. De brief blijkt echter afkomstig van Zwarte Magica. Deze heks lokt Dagobert naar het eiland, omdat ze in het bezit wil komen van zijn gouden geluksdubbeltje. Dat het eiland daadwerkelijk ooit bewoond is door Circe ontdekt ze per toeval. Ze vindt de staf van Circe en verandert Kwik, Kwek en Kwak in varkens. De ironie van het verhaal is hier dat de personages al dieren zijn voordat ze in dieren veranderd worden!

circe magicaNadat Donald eerst in een geit en vervolgens in een schildpad is veranderd en Dagobert zelf in een ezel (een metamorfose die doet denken aan Apuleius’ roman de Gouden Ezel), maakt Dagobert de betovering tenslotte ongedaan door Circe’s staf kapot te slaan.